In het begin van de 19de eeuw wordt Europa voor het eerst geconfereerd met een epidemie veroorzaakt door een bacterie genaamd “Vibrio Cholerae”. Deze bacterie leidde tot een heftige ontsteking van de darmen, waarbij de patiënt veel vocht verloor, vandaar de naam braakloop. De ziekte was meestal het gevolg van consumptie van besmet water dat besmet was met fecale materie. In tegenstelling tot de vroegere pandemie is dit de eerste keer in de menselijke geschiedenis dat de mensheid de bron van een pandemie ontdekte. Door Robert Koch werd in 1883 de cholera bacterie ontdekt en sindsdien kan men ook vaccins bereiden. Pasteur was een van de eersten die rond 1890 een cholera vaccin introduceerde, daarna zouden vele anderen volgen. Deze ontdekking bracht een maatschappelijke omslag in Europa. Door zich bovendien tegen de ziekte preventief te wapenen o.a. met de aanleg van waterleiding en riolering konden Europese steden toen pas uitgroeien tot miljoenensteden waardoor de industrialisatie en Europa’s welvaart pas ten volle op gang kon komen.

In 1817 brak de eerste cholera epidemie uit in India waarbij duizenden doden vielen vandaar dat men daarna de ziekte als cholera asiatica classificeerde. Het was toen nog een onbekende ziekte en men had geen idee waardoor de ziekte werd veroorzaakt. Cholera verspreidde zich toen langzaam van Azië naar andere delen van de wereld, om na ca 10 jaar Europa via de scheepvaart te bereiken. In Europa zou de uitbraak van de cholera tot een belangrijke geopolitieke omslag leiden. De ramp van de cholera verscherpte de tegenstellingen der klassen, met revolutionaire bewegingen als gevolg. De sociale gebeurtenissen in Frankrijk in 1830, de Engelse Reform Bill van 1832 en de Poolse opstand van 1830-1831, kan men niet begrijpen zonder in te gaan op de cholera. Nederland was tevens in een Oorlog verwikkeld, namelijk met België, waarbij een massieve krijgsmacht in de Zuidelijke Nederlanden werd gelegerd.

De symptomen van de cholera waren afschuwelijk. Een patiënt kreeg doorgaans eerst last van zijn ­ingewanden, met waterige diarree en hevig braken. Het lichaam raakte daardoor in rap tempo liters vocht kwijt en droogde volledig uit. Vaak kreeg de zieke daardoor blauwe wallen ­onder de ogen – vandaar de bijnaam Blauwe Dood – en een glazige blik.

Als niets werd ­gedaan, stierf de patiënt meestal binnen een paar uur tot enkele dagen.

In 1831 maakte de ziekte in Frankrijk en Duitsland reeds veel slachtoffers. In Nederland wist de overheid en de bevolking dat het slechts een kwestie van tijd was tot de ziekte ook Nederland zou binnen dringen. De overheid nam voorzorgsmaatregelen en deelde informatieboekjes uit waarin stond wat burgers moesten ondernemen als de ziekte in Nederland opdook. Verder werden de gemeente geïnstrueerd hoe men zich op een uitbraak moesten voorbereiden. In elke grote gemeente moest een choleracommissie ingesteld worden, bestaande uit een notabel, een arts en een politiedirecteur. De steden werden verdeeld in wijken waarin de wijkcommissie verantwoordelijk was voor de gang van zaken. Gemeenten kregen het advies een speciaal cholerahospitaal in te richten. Huizen waarin cholera heerste, kregen een bordje aan de deur. Als de zieken of doden uit huis waren, werd de woning ontsmet met de toenmalige middelen: luchten, azijn sprenkelen en chloorgas verspreiden. Isolatie van de zieken werd dus verplicht. Choleradoden moesten direct de kist in zonder ze af te leggen, en ze moesten zo snel mogelijk zonder veel ritueel in een dubbeldiep graf begraven worden. Nabestaanden hadden niet of nauwelijks tijd om afscheid te nemen. Zo kon het voorkomen dat een man, die per postkoets een dag op bezoek in een naburige stad was geweest; bij terugkeer ‘s avonds ontdekte dat zijn vrouw ziek was geworden, binnen een paar uur was overleden en meteen was begraven. De snelheid waarmee een gezond mens in weinige tijd kon vervallen tot een onherkenbaar wrak, was angstaanjagend. De machteloosheid van medici, en de onverklaarbare resistentie van sommige mensen, vergrootten het raadsel.

Toch waren de adviezen van de medische commissie achteraf bezien voor die tijd vooruitstrevend. Matigheid en reinheid werden als voorname middelen gezien om de cholera beheersbaar te houden. Deze voorbereidingen tot preventie van cholera werden overal vrij stilletjes getroffen, omdat wilde voorkomen dat paniek en dus opstand zou uitbreken. De religieuze leiders gebruikten de angst om de mensen aan te sporen zich tot God te wenden, voor hij het grote kwaad naar Nederland zou sturen.

De regering verwachtte dat de cholera, zoals alle kwaad, uit Frankrijk zou komen, en dus had men aan de Belgische grens verscherpte controle ingevoerd. Dat was des te makkelijker omdat er in verband met de Belgische opstand nog veel militaire troepen in Zuid-Nederland gestationeerd waren. Men had echter onvoldoende op de zee gelet als aanvoer van de besmetting. Aangezien de ziekte uit India kwam en Londen was getroffen sloot men weliswaar de Engelse grenzen. Maar er was een levendige smokkelhandel die de bewaking van de kust wist te omzeilen. Op 25 juli 1832 kwam in Scheveningen een boot aan met daarin een aantal botersmokkelaars, die vanuit Engeland terug naar Nederland kwamen. Deze mannen brachten de ziekte op 25 juni, het binnenlopen van de visserspink, binnen en op 3 juli waren er al 46 lijders waargenomen. Vier daarvan waren binnen enkele dagen overleden. Direct trad het apparaat in werking. Vis uit Scheveningen mocht niet meer vervoerd worden. Jaarmarkten en kermissen werden verboden. Geneeskundige hulp aan armen werd gratis beschikbaar gesteld. Desondanks bereikte de ziekte in juli Den Haag, Katwijk en Rotterdam. In augustus waren Utrecht en Amsterdam aan de beurt. Vooral in de dichtbevolkte delen van Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht met veel oppervlakte water maakte de ziekte veel slachtoffers. Patiënten die cholera kregen hadden een overlevingskans van ca. 50%. In Holland stierven in 1832-1833 niet minder dan 10.108 personen aan de ziekte. In Amsterdam kregen 793 personen cholera waarvan er 480 stierven. De cholera verspreidde zich vanaf 1832 haast onstuitbaar verder over ons land. Aan het eind van dat jaar meldde de Staatscourant dat van alle Nederlanders er bijna 14.000 waren aangetast door cholera. Bijna de helft daarvan was overleden. Op een bevolking van ca.2 mln. mensen was dit aantal toch aanzienlijk. Het isoleren van zieken in aparte ziekenhuizen was, naast de economische quarantaine, een eeuwenoude remedie. Er verrezen dus al snel na de eerste uitbraak speciale cholera-ziekenhuizen. De patiënten die daar uiteindelijk naartoe werden gebracht, waren meer dood dan levend, en overleefden het vaak niet.

De artsen hadden bij deze epidemie nauwelijks iets te bieden.
Er waren echter genoeg kwakzalvers die adverteerden met vage drankjes die gretig aftrek vonden. Het populaire opiumdrankje van dr. Bleeker, een tropenarts, was een mengsel van laudanum, Spiritus en kajapoetolie. Het was in de tropen een geliefd middel tegen diarree en zorgde voor minder buikkrampen maar voorkwam niet dat de ziekte zich verder verspreidde. Mensen kochten liever Bleekers drankje dan naar de noodhospitalen te moeten, want dat vertrouwden ze al helemaal niet.

De tweede uitbraak van 1848-1849 was heviger dan de eerste en viel samen met een periode van hongersnood door aardappelziektes en hoge voedselprijzen. 22.460 mensen werden toen het slachtoffer. De uitbraak begon in Zaandam. In totaal vielen dat jaar in Nederland 23.267 doden (Amsterdam 2.256) doden. In deze periode verkeerde de bevolking door de hongersnood in een slechte voedingssituatie en was daardoor extra kwetsbaar voor de cholera. Het jaar 1848 was ook een jaar van opstanden en oorlogen en ook ban veel politieke onrust. Ook in Nederland was het onrustig en wellicht werd de invoering van de grondwet door Thorbecke in dat jaar door de cholera bespoedigd. Na deze tweede cholera epidemie van 1848 had de ziekte zich in Nederland nu definitief genesteld en men ziet in de volgende jaren steeds veel doden door de cholera (gemiddeld 3.000 doden per jaar). Ook de landelijke provincies hadden van cholera te lijden, vooral kolonie Veenhuizen telde veel sterfgevallen. Vooral in het bedelaarsgesticht te Veenhuizen alleen al waren 332 zieken, van wie er 176 overleden.

De invloed van de cholera op het sociale leven

De snelle verspreiding van deze onbarmhartige ziekte had natuurlijk een diepgaande invloed op het maatschappelijke leven. Hoewel men zich wel wat op de cholera had voorbereid sloeg de cholera ernstiger toe dan men had vermoed. In Nederland wisten we dat het gevaar eraan kwam, maar niet dat de ziekte in korte tijd zo’n omvang zou aannemen. Al maandenlang voor de Nederlandse uitbraak brachten de kranten berichten over de slachting die de ‘Aziatische buikloop’ in Europa aanrichtte. De snelheid waarmee een epidemie uitbrak en zich verspreidde veroorzaakte veel paniek. Men zocht naar schuldigen. Bierbrouwers vreesden voor een boycot omdat men bier drinken ten onrechte voor gevaarlijk hield. Jaarmarkten werden afgelast, grote bijeenkomsten werden verboden, kermissen gingen niet door, huwelijken werden soms uitgesteld, grote bijeenkomsten gemeden. Feestelijkheden bij grote gebeurtenissen gingen niet door. Bij de opening van de spoorlijn Breda Maastricht (1860) werden de feestelijkheden afgelast vanwege de cholera epidemie.

De cholera-pandemieën hadden een ingrijpend effect vooral in Europa omdat ze vooral de paupers troffen. Ze waren gehuisvest in de steden van de pre-Industriële Revolutie, waar het toch al zeer ongezond leven was. De meeste Europese overheden deden bij voorkeur helemaal geen mededelingen over een dreigende epidemie, omdat men bang was dat er daardoor een enorme angst onder het volk zou ontstaan, dat mogelijk tot opstand kon leiden. In sommige landen ontstonden niettemin toch cholera- woelingen en ­relschoppers bestormden ziekenhuizen. Er staken zelfs samenzweringstheorieën de kop op dat de ziekte een complot was van de rijken om de onderklasse uit te dunnen.

In Nederland nam de overheid een afwachtende defaitistische houding aan. Quarantaine werd – gezien vroegere ervaringen – wel doorgevoerd maar leek nauwelijks te helpen. Ook in het buitenland was men terughoudend met beperkende maatregelen. Bovendien vreesde de overheid dat te veel beperkende maatregelen de economie zouden schaden. Ook brak cholera vaak op verschillende plekken tegelijk uit. Dat riep de vraag op of de ziekte überhaupt wel overgedragen werd via contact. Onder de armen in de sloppenwijken vielen namelijk de meeste slachtoffers. Het idee om de woonomstandigheden van de armen te verbeteren kreeg geen steun van de meerderheid de regering. Politici zagen dit als inmenging in het privéleven van burgers en wie ging al die verbeteringen betalen? Ze zouden tot in de jaren zestig van de negentiende eeuw aarzelen om tegen onhygiënische toestanden op te treden. Wat deed de regering dan wel? Vooral afwachten en bidden voor de goede afloop. Er waren wel lokale maatregelen. Verschillende steden lasten markten en kermissen af. Het feit dat het volk zich daar niet meer te buiten kon gaan aan onzedelijk gedrag werd van harte toegejuicht door veel stadsbesturen.

Cholera-preventie komt pas laat op gang.

Ondertussen waren er belangrijke ontwikkelingen in Engeland. Door briljante analyse van locaties van sterfgevallen wist Dr. Snow de waterput in Broadstreet, die naast een beerput lag, als hoofdbron van de cholera aan te wijzen. Hoewel dr. Snow met sterke bewijzen kwam werden zijn argumenten om diverse onjuiste opvattingen door de medische gemeenschap weggewuifd. Later zou Snow door de Britse medische gemeenschap tot de belangrijkste Britse geneeskundige aller tijden gehouden worden. Ondanks vele tegenwerpingen nam het Londens bestuur the Metropolis Water Act 1852 aan om voorzieningen te treffen, om de levering van zuiver en gezond water aan Metropolis te verzekeren. Op grond daarvan werd het voor elk waterbedrijf onwettig om na 31 augustus 1855 water voor huishoudelijk gebruik, uit de getijdengebieden van de Theems te halen, en vanaf het einde van dat jaar moest al dat water “effectief gefilterd” worden. Het is goed hierbij aan te tekenen dat het Londens waterbedrijf een hoogst profitabele business was.

In Nederland was een andere ontwikkeling op gang gekomen met een meer commercieel karakter. De kwaliteit van het Amsterdamse drinkwater was bedroevend. Het was vervuild oppervlakte water, van de daken opgevangen regenwater en water dat men met grote schuiten vanuit de Vecht aanvoerde waarna het water via kleinere vaak vervuilde vaartuigen over de stad werd verdeeld. Onze grote Jacob van Lennep (rijksadvocaat en een groot schrijver) wenste dat Amsterdam duinwater zou krijgen. In 1845 komt een doorbraak in zicht. Het plan wordt gelanceerd om Amsterdam via een pijpleiding te voorzien van duinwater. De invloedrijke schrijver en rijksadvocaat Jacob van Lennep is enthousiast en gaat op zoek naar financiering. Welgestelde Amsterdammers weigeren echter te investeren, mogelijk onder druk van de Versch Water Sociëteit die de aanvoer van het Vecht water met schuiten exploiteerde. Het lukt Van Lennep om Engelse geldschieters te interesseren die hier profijt zagen. In 1851 werd de Amsterdamse Duinwater Maatschappij opgericht. Op 11 november van dat jaar steekt de jeugdige kroonprins Willem bij Oranje plechtig de eerste spade in de grond. Op 12 december 1853 wordt bij de Haarlemmerpoort het eerste duinwater verkocht voor 1 cent per emmer. Het project werd onmiddellijk een groot financieel succes, nadat bleek dat deze duinwateraanvoer ook de volksgezondheid ten goede kwam.

Het succes van de aanleg van deze Amsterdamse waterleiding voor de preventie van cholera zou pas goed blijken bij de laatste Nederlandse epidemie van 1866, de derde grote cholera golf. Ten minste 21.000 Nederlanders stierven door deze ziekte. Dit op een bevolking van bijna 3,5 miljoen. In Amsterdam stierven bij deze laatste choleragolf ‘slechts’ 1.104 personen door de aanleg van de waterleiding. Vrijwel alle Amsterdamse zieken waren uitsluitend te vinden in armoedige buurten verstoken van schoon leidingwater. Het betrof wijken zoals de Jordaan en andere volksbuurten waarbij de sterfte ca. 10% van de inwoners bedroeg. In één woning (Valkenburgersstraat) waren in 6 dagen 5 sterfgevallen, in de Foeliestraat stierven in een woning in 11 dagen eveneens 5 personen.

Veel slechter was Rotterdam er aan toe, waar men besmet Maaswater dronk dat zoals men meende veilig drinkwater was. Men dacht dat Maaswater niet de besmettingsbron kon zijn en dat men derhalve niet omzichtig hoefde te zijn met consumeren van dit maaswater. Dit was een verkeerde veronderstelling zoals bij de epidemie van 1866 bleek. Doordat latrines vaak naast rivieren en kanalen stonden vermengden de bacteriën zich gemakkelijk met het grondwater waarna ook het rivierwater werd besmet. Het eerste cholera-geval in Rotterdam werd op 8 april 1866 geconstateerd. De ziekte bereikte hier spoedig een grote omvang. Voor de periode van 8 april tot 17 november werden 1985 cholerapatiënten gerapporteerd, waarvan er 1242 overleden. Zulke hoge sterftecijfers waren niet alleen te vinden in Rotterdam, maar ook in andere Nederlandse grote steden, zoals Groningen, Utrecht en Leiden, zonder goede waterleiding. Slechts in enkele kleinere steden als Middelburg en Leeuwarden bleef de ziekte zeer gering van omvang. Op het platteland hadden veel bewoners een eigen goedkope gietijzeren pomp, die in die periode was uitgevonden, en die schoon onbesmet grondwater voor consumptie leverde.

Het succes van de waterleiding in Amsterdam voor de preventie van cholera bracht een publieke actie van de Rotterdammers op gang. In het bijzonder door de vasthoudendheid van de Heer Kunst uit Schiedam kantelde het gemeentebestuur Rotterdam in 1869. Na veel aandringen, ook van het Rotterdamse publiek, besloot men uiteindelijk een waterleiding aan te leggen die in 1874 operationeel werd. Ook andere steden volgden daarna vrij snel. Daarna nam de ziekte overal in het land spectaculair af. Sindsdien is cholera in Nederland niet meer voorgekomen.

Dat was niet overal zo. Van grote historische betekenis is de cholera uitbraak van 1892 in Hamburg, waarbij ongeveer 8600 mensen stierven, mede als gevolg van de beperkte stedelijke watervoorziening. De Hamburgers stelden het stadsbestuur verantwoordelijk voor de virulentie van de epidemie, die in 1893 zelfs tot cholerarellen leiden.

Deze Hamburgse epidemie, zou de laatste grote epidemie in Europa worden. In de wetenschappelijke pers werd deze epidemie uitvoerig becommentarieerd. Mede door de ontwikkeling van de bacteriologie en de goede voorlichting was de bevolking van het nut van hygiënische maatregelen bewust geworden en daarbij paste de aanleg van sanitaire voorzieningen zoals schoon drinkwater en een goede rioolsystem. De cholera-pandemieën van de negentiende eeuw leidden dus tot een sterker bewustzijn van het belang van schoon sanitair. Vooral in de beginfase van de epidemie maakte deze ziekte verschillen in rijkdom pijnlijk duidelijk omdat de rijken over beter drinkwater beschikten dan de mindervermogenden. Het effect van deze publieke sanitaire maatregelen op de volksgezondheid bleek spectaculair. De water- en rioolvoorzieningen hebben aan de volksgezondheid meer bijgedragen dan vele latere geneeskundige maatregelen. Begrippen als vaccinatie, hygiëne, bacterie, besmetting e.d. werden niettemin gemeengoed en leiden tot een publieke omslag bij de preventie van infectieziekten. Het werd duidelijk dat de bestrijding van infectieziekten geen lokale maar nationale zorg was.