Tijdschrift voor de afdeling Oostelijk West-Friesland van de Nederlandse Genealogische Vereniging
Koggenland

aflevering 2020/3  jaargang 35

Inhoud
Onze bijeenkomsten
In dit nummer
Van de bestuurstafel
Misschien zit hier iets voor u bij
Afdelingsbibliotheek
Nieuws uit het Westfries Archief
Een oud vraagstuk opgelost
Uw kwartierstaat in boekvorm?
Familieonderzoek als onderwerp in krantenartikelen (vervolg)
Genea-IX
GensDataPro van 2.9.9.5. naar 3.0.0.5
Paleografie
Het stadhuis der Stede Abbekerk en de doodstraf
Transcriptie van pagina’s 72 en 73
Mutaties
De  Doodstraf

Omstreeks 1650 kende men de volgende straffen.

Op water en brood zetten.
Dit werd met landlopers gedaan. Na enkele dagen of weken in het gevangenhuis kwam de veroordeelde weer op vrije voeten.

Geseling.
Dit was een straf die bedelaars en sommige misdadigers te wachten stond. Al naar gelang de zwaarte van het delict werd een nader onderscheid gemaakt. Ernstige misdrijven werden bestraft met geseling tot uitstorting van bloed. Voorts was geseling in het openbaar een zwaardere straf dan geseling in de voorzaal van het stadhuis.

Min of meer langdurige verbanning uit de stede Abbekerk, Vier Noorder Koggen of uit Holland en West-Friesland. Een voorbeeld hiervan is de verbanning van vier lepralijders, die de stede Abbekerk in 1674 met een bezoek vereerden.
Overigens komt deze straf in vrijwel ieder crimineel vonnis voor, meestal in combinatie met andere elementen. Ook op een andere wijze kon men aan zijn misdaad blijvend worden herinnerd, namelijk door brandmerken. Bekend is dat ene Adolf van der Meulen naast openbare geseling en verbanning werd gebrandmerkt met het brandijzer der Stede Abbekerk, waarin de dorpswapens van Abbekerk, Twisk, Lambertschaag en Midwoud waren aangebracht.

Opname in een tuchthuis. Ook dit was bepaald geen prettige straf. Een langdurig verblijf kon zelfs levensbedreigend zijn. Zo slecht waren de levensomstandigheden in tuchthuizen

De zwaarste straf was vanzelfsprekend de doodstraf. De executie had plaats door onthoofding door het zwaard. Dit vond men toen een geschikte manier om mannen aan hun einde te brengen. Voor vrouwen werd deze vorm van levensbeëindiging onwaardig geacht. Het zwakke geslacht werd op een andere manier om het leven gebracht, namelijk door wurging. Hierbij werd de ter dood veroordeelde vastgebonden aan een paal en met een koord gewurgd.