Gens Nostra 2024 – 3

0
132

Rouwborden van de familie Ploos van Amstel in de Geertekerk te Utrecht. Waterverftekening van Cornelis van Hardenberg, (1793).

Dit derde nummer van de jaargang 2024 begint met het korte verslag van de zoektocht naar een lang onvindbare voorouder,
Martinus Brouwer, rond 1715 belastingpachter te Leek (zie ook GN-1991-1 p.1-16). Zoals meer van zijn beroepsgenoten kwam hij
niet uit de lokale gemeenschap, maar helemaal uit Breda. Eigenlijk verdienen de belastingpachters als zeventiende- en achttiende-eeuwse beroepsgroep meer aandacht. Wie was deze Martinus, en hoe raakte hij zo ver van zijn Brabantse wortels verwijderd? Dat blijft gissen – maar wel leidde de onlinepublicatie van de Vestbrieven van Breda tot de identificatie van zijn ouders, broer en zuster.

In 1919 maakt te Zaltbommel Esther Goudsmit een eind aan haar leven; dat blijkt te slotakte te zijn geweest van een kommervol bestaan. Het artikel, dat Tineke Rouschop hierover schreef, is eerder gepubliceerd in het tijdschrift van de Historische Kring Bommelerwaard, maar
geeft een zo interessant (en schrijnend) beeld van de positie van (een deel van) de joodse gemeenschap in Nederland, dat wij een bredere verspreiding via Gens Nostra gerechtvaardigd vinden. Vervolgens worden we meegesleept naar de zelfkant van de samenleving in het Dordrecht van circa 1870 tot 1970, en leren hoe etnologie en familiegeschiedenis elkaar niet alleen kunnen vinden, maar zelfs ondersteunen.

De heraldiek komt in dit nummer ruimschoots aan haar trekken door de publicatie van een aantal interessante rouwborden.
Daarop volgt een drietal min of meer samenhangende bijdragen: over de acte van notoriteit en haar opvolger, de acte van bekendheid, die minder betrouwbaar blijkt dan de naam doet vermoeden, wat wordt geïllustreerd door de ‘notoire’ verdwijning van Leendert Schipper uit Breukelerveen, die desondanks nog lang in leven blijkt te zijn gebleven, en door de problemen ontstaan bij genealogische onderzoek binnen de familie Sinot te Haarlem.
Gebruik van ‘huwelijkse bijlagen’ en de voorlopers daarvan blijft uiterst nuttig, maar een kritische blik kan hierbij beslist niet worden gemist. Maar bestaat die eigenlijk nog wel, de genealoog die kritiekloos overschrijft wat hij tegenkomt? Helaas geldt voor sommige mensen nog altijd heel sterk, dat de wens de vader is van de gedachte. Hieruit kunnen wonderlijke kinderen voortkomen!

Tot slot wordt aandacht besteed aan een heel andere bron van genealogische gegevens, uit een veel verder weg gelegen periode: de burgerboeken van Deventer. Dan nog een foto-impressie van de interne verhuizing in Bunnik en een verbetering van een vorig artikel. Uiteraard zijn de vaste rubrieken niet vergeten: portretten, het overzicht van de tijdschriften en VanAlles

Redactie Gens Nostra