Onderzoek naar bejegening Joodse huiseigenaren na oorlog

0
60

Leeuwarden gaat onderzoeken hoe de gemeente zich heeft gedragen tegenover Joodse huiseigenaren in en na de Tweede Wereldoorlog. De uitkomst moet duidelijk maken of er onrechtmatige transacties gemaakt zijn na de oorlog.

De Friese hoofdstad is een van de twintig gemeenten die onderzoek gaan doen. Dat blijkt uit een rondgang van De Monitor en Pointer(KRO-NCRV) langs gemeenten die voorkomen in de vastgoedadministratie van de Duitse bezetter. Historisch Centrum Leeuwarden is een vooronderzoek in de archieven begonnen. De uitkomst kan aanleiding zijn voor uitgebreider onderzoek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Joods vastgoed onteigend en doorverkocht. De gemeenten gaan onderzoeken of belastingen zijn geheven, terwijl de Joodse eigenaren geen toegang hadden tot hun woningen, en hoe ze zijn omgegaan met onteigende panden die ze zelf aankochten.

In Leeuwarden gaat het om 130 tot140 panden die tijdens de oorlogsjaren in bezit waren van Joodse families en ‘onder beheer gesteld’ werden, ofwel in beslag genomen door de Duitse bezetter en mogelijk verkocht zijn. De gemeente wil weten hoe dit na de oorlog is afgewikkeld en wat de rol van de gemeente hierin is geweest. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de gemeente Leeuwarden nauw betrokken is geweest bij de onteigeningen.

In principe moesten Joden na de oorlog schadeloos gesteld worden. Het onderzoek, dat vermoedelijk enkele maanden duurt, moet uitwijzen of dit is gebeurd. Zijn de panden teruggegaan aar de rechtmatige eigenaar of is er een schadevergoeding betaald?’’

Over hoe gemeenten gehandeld hebben rond geroofd Joods vastgoed is nog weinig bekend. In Leeuwarden, in het gebied rond de Breedstraat en Bij de Put huisde de grootste Joodse gemeenschap van Friesland. Van de 665 Joden in de stad waren er na de oorlog nog 114 over. Een deel van hen emigreerde. In 1951 waren nog 100 Leeuwarders lid van de Joodse Gemeente.