Bonefluijterij

0
473

Tot 1730 werden anders geaarden in Amsterdam nauwelijks vervolgd. Maar in de achttiende eeuw vonden er in drie jaren, 1730, 1764 en 1795, grote arrestatierondes plaats. Zo waren er in de jaren 1764-1765 acht executies, vijf gevangenisstraffen, drie verbanningen en maar liefst 64 bij verstek veroordelingen in de stad. Het is dan ook vooral in een strafrechtelijke context dat we in de notariële archieven verklaringen tegenkomen over Sodomie, zoals homoseksualiteit toen heette.

De angst voor vervolging zat er in die jaren goed in, zo blijkt uit een verklaring bij notaris Egidius Cremer. Op 2 juli 1767 leggen Emmerentia en Petronella van Leeuwen op verzoek van Jan IJsbrand Snel een verklaring af over notariszoon Jan Roermond die vier jaar eerder allerlei beschuldigingen zou hebben geuit. Jan Roermond gebruikte daarbij het bij ons nog niet bekende scheldwoord ‘bonenfluijter’.

Tijdens een gesprek over de arrestatie van een aantal mannen wegens de verfoeilijke crime van Sodomie, vertelde Roermond dat hij tijdens een plezierreisje naar Leiden bij een zekere heer in bed was beland, waar de man hem aan zijn mannelijkheid zou hebben laten trekken. De volgende ochtend werd met geen woord gerept over het voorval in bed, maar wel kreeg Jan van de niet met name genoemde heer een gulden en twee sesthalven* toegestopt.

De getuigen verklaarden zeer aangedaan te zijn over dit verhaal. De inmiddels overleden Arie van Leeuwen, zou gezegd hebben: ‘Foeij, wat zegt gij daar van die braavenheer, dat geloof ik nooijt. Gij diende wel wat voorzigtiger te zijn, weet gij wel, wat gij daar zegt, Man, man, die dingen hebben zoo een groote naasleep.’ Waarop Jan Roermond antwoordde: ‘Het is de waarheid, het is aan mijn gebeurd. En hij noemde Jan Roermond mede een Sodemiter.’

Gij kunt het verder voort verhalen. Daar aan toe voegende dat hij een Boonefluijter is, men blijft niet bij dit ene incident. Een andere niet nader genoemde man zou Roermond in ruil voor geld betast hebben. Over weer een andere – blijkbaar gefortuneerde – heer werd gesteld dat hij zich ‘nooit door meijden liet bedienen, ook mochten deze niet in zijn kamer komen, maar expres mooije knegts huurde, die alle vreemdelingen waaren. Om hem te bedienen en dat hij daar meede sodomiterij pleegde. En dat men het duidelijk aan hem kon zien, en aan de stem hooren konde dat hij een sodomieter is.’

Tot slot komt ook straatgeweld tegen homo’s aan de orde. Jan Roermond vertelt dat ‘hij en een andere persoon ’s avonds langs Heeren weegen Sodomieters die zij zien niet ongemolesteerd konden laten gaan. En hun nariepen daar heb je weer een Bonefluijter!’.

Wat de precieze aanleiding voor de uitgebreide verklaring is, wordt niet helemaal duidelijk. Wel vertelde Emerentia van Leeuwen, dat in de afgelopen maand maart Jan Roermond tegen haar gezegd heeft dat hij haar man, Jan IJsbrand Snel, zou willen dagvaarden omdat deze hem zou hebben uitgemaakt voor ‘sodomieter’. In de archieven van Schout en Schepenen is geen vervolg van deze zaak gevonden. Het lijkt erop dat geen van de partijen het tot een rechtszaak heeft laten komen.

De akte die is opgesteld door Egidius Cremer op 2 juli 1767 is terug te vinden in de Notariële archieven, archiefnummer 5075, inventarisnummer 15006, aktenummer 19554.

Klik hier voor nadere informatie